Jaap Bos: ‘Het spel met vorm en betekenis trekt mij aan’

leestijd: 9 minuten

De wet van Moenk is hét literaire werk om de Maand van de Filosofie mee af te trappen. Een ‘melancholisch meesterwerk’ noemde ik het in mijn recensie. Vandaag stel ik auteur Jaap Bos wat vragen over zijn roman.

Jaap Bos (Rotterdam, 1961) is verbonden aan de Universiteit Utrecht, faculteit sociale wetenschappen. Hij studeerde psychologie en is auteur van een aantal titels over o.a. Freud en de psychoanalyse. Bos is tevens de biograaf van de pedagoog M.J.Langeveld. Hij publiceerde onder meer in De Gids, De Groene Amsterdammer, NRC en Tijdschrift voor Biografie, waarvan hij tevens hoofdredacteur is. Zijn roman De wet van Moenk is in januari 2016 verschenen, bij Magonia.

Wat een grandioos debuut! Kunt u kort uitleggen wat de ‘wet van Moenk’ inhoudt?

Dank je wel. Ik begin met ‘de wet’ zelf. Die zegt: ‘Alles is met alles verbonden, maar niets leidt tot iets.’ Dit is natuurlijk geen echte wet. Als alles met alles is verbonden en niets tot iets leidt ontbreekt causaliteit. De twee hoofdfiguren in het boek, een naamloos ik en de fotograaf Moenk, zijn inderdaad met elkaar verbonden op een manier die ze zelf niet begrijpen. En toch heeft wat ze doen consequenties voor de ander, maar ze weten het niet, en voor tenminste een van de twee geldt dat het leven inderdaad ‘stil staat’ (meer kan ik er niet over zeggen, want anders verklap ik de clou).

Ik heb met De wet van Moenk een boek willen schrijven over hoe je jezelf een rad voor de ogen kunt draaien, over hoe je over het leven kunt vertellen op een manier die heel vanzelfsprekend lijkt, zelfs redelijk, maar dat niet is. Daar kom je als lezer geleidelijk achter, als het goed is.

De roman ademt de melancholische sfeer van het existentialisme uit. Ik kreeg het gevoel dat u de vrijheid van de fictie aangreep om filosofische ideeën te presenteren. Had u die vrijheid inderdaad nodig?

Interessante vraag. Heb ik fictie gebruikt om filosofie te bedrijven? Zo heel bewust heb ik dat niet gedaan, laat ik dat voorop stellen, maar je hebt wel gelijk dat dat óók gebeurt. Toch is De wet van Moenk bepaald geen inleiding in de filosofie zoals De wereld van Sophie [van Jostein Gaarder, AH] of Zen en de kunst van het motoronderhoud [van Robert M. Pirsig, AH]. Ik maak gebruik van ideeën van anderen, en ik doe dat, zoals je terecht zegt, met een grote mate van vrijheid.

De twijfel van Descartes, bijvoorbeeld, die in hoofdstuk 3 zelfs expliciet wordt benoemd is voor mijn hoofdpersoon een wijkende horizon van zekerheid die naarmate hij ouder wordt onbereikbaarder wordt omdat er al zoveel achter is verdwenen. Verder kun je aan de ‘temps durée’ van Bergson denken, die tijd die je beleeft of meemaakt in plaats van meet (lees zijn prachtige Tijd en vrije wil!), dat op de achtergrond doorklinkt in de beleving van Moenk. En natuurlijk Nietzsches herhaling van alles. Maar geen van die begrippen wordt uitgewerkt, toegelicht, van commentaar voorzien. Je hoeft ze ook niet te kennen om het boek te kunnen lezen.

Dan nog iets over dat existentialisme en de sfeer van melancholie. Dat laatste is zeer juist. Een melancholisch boek is het zeker. De karakters zijn een beetje tragisch, en daar past een melancholische toon bij. Maar of het ook existentialistisch is? Een lezer die meer van het existentialisme afweet dan ik schreef dat hij ‘de wet’ in De wet van Moenk Sartreiaans interpreteert: “Het niets als bewustzijn is intentioneel betrokken op iets.” Ik neem dat graag aan op zijn gezag, maar zelf had ik het niet zo bedoeld.

‘De oprechtheid van een schrijver vind je juist in fictie, in het creëren van een nieuwe werkelijkheid,’ zei P.F. Thomése onlangs. Wat zegt de werkelijkheid uit De wet van Moenk over uw eigen filosofische opvattingen?

Ik heb een volstrekt en absoluut ongeloof. Ik geloof in niets. Ik geloof noch in iets religieus, noch in ‘de wetenschap’, noch in ‘de natuur’ (wat dat ook is). Degene die ‘de wet’ Sartreiaans interpreteert zei: ‘Jij hebt een hang naar relativerende zinloosheid.’ Daarin schuilt, denk ik, een waardeoordeel. Maar voor mij betekent zinloosheid niets negatiefs maar houdt het juist een opgave in.

Zonder vaste referentiepunten in de buitenwereld ben je veroordeeld tot een zoektocht naar betekenis. Je zult die niet vinden, maar ontsnappen aan die zoektocht kun je ook niet, en zelfs kun je je er niet bij neerleggen. Stap twee in mijn filosofie is dus een vorm van ‘constructivisme’. Alleen waar veel constructivisten in hun eigen constructen gaan geloven doe ik dat niet.

Het blijven wankele bouwwerken die iedere dag kunnen instorten. Zo zwerven mijn figuren ook rond: zoekend, vragend, zonder antwoord te vinden, en zonder zekerheden. Maar dat betekent niet dat iedereen ‘maar wat doet’. Het verschil tussen de ik-figuur en Moenk is niet gelegen in het antwoord dat ze (niet) vinden, het zit in de manier waarop ze zoeken.

U verlangt behoorlijk veel van uw lezer: dat hij met u, dus samen, het verhaal construeert door betekenis te geven aan de intertekstuele verhalen in plaats van dat u de lezer het hele verhaal voorschotelt. Hoe bent u op deze vorm gekomen?

De vorm van ‘Moenk’ is in feite een raamvertelling – verhalen in een verhaal. Hoe ben ik op die vorm gekomen? Ik denk dat de vorm moet passen bij de inhoud. Als de karakters in het boek zoekende zijn moet je dat laten zien. Show, don’t tell niet waar? Denk aan ‘De vrouw die haar stem verloor’,  een korte vertelling over iemand van de ene dag op andere, zonder aanwijsbare oorzaak, haar stem niet meer kan gebruiken. Dit verhaal wordt aan de ik-figuur gepresenteerd zonder uitleg. Hij denkt: Ik moet de zin ervan achterhalen. En steeds meent hij: Nu weet ik het! Maar dan doet zich iets voor en beseft hij dat hij de betekenis toch weer niet begrepen heeft.

Op dezelfde manier voorafschaduwen de vele kleine verhalen dingen in het grote verhaal. Een vrouw die haar man stalkt, een man die zijn zoon kwijtraakt (een diep tragisch verhaal), bevrijders die geen bevrijders blijken te zijn… ieder element geeft aanknopingspunten om betekenissen te construeren zonder dat er een eenduidig antwoord komt. Ook ik heb daarin niet het laatste woord.

Ik was bijvoorbeeld uitgenodigd bij een leesclubje dat ‘Moenk’ had gelezen, en iemand vroeg toen wat er nu precies was gebeurd tussen de ik-figuur en zijn vriendin. Ik zei: “Ik weet het niet.” En ik weet het ook echt niet, dat wil zeggen: ik heb bewust gekozen dit tamelijk cruciale gegeven open te laten, met als gevolg dat lezers zich daarover, maar ook over de karakters zelf hele verschillende voorstellingen hebben gemaakt!

Regelmatig raakte ik even de draad kwijt door die complexe structuur en de diepgaande metaforen. Hierdoor is de kans groter dat minder gemotiveerde lezers afhaken en daardoor de schoonheid van het verhaal niet ontdekken. Waarom toch deze vorm?

“De lezer heeft ook een taak.” Ja, ik vraag veel van mijn lezer, dat is waar, en ik was soms ook wel eens bang dat het wat te veel zou zijn. Toch heb ik nog maar van één enkele lezer gehoord dat hij het boek halverwege heeft weggelegd; voor de overigen zat de lol wel degelijk in het uitzoeken van al die verbanden en raadsels. Maar natuurlijk ben ik me ervan bewust dat dit niet een boek voor iedereen is, wat niet een keuze inhoudt voor de ‘elitaire lezer’ of zo iets – verre van dat – het is een kwestie van smaak.

Ik ben opgegroeid op een dieet van J.M. Coetzee, Paul Auster, Ian McEwan, Philip Roth, Julian Barnes, Sebastian Faulks, en dat heeft me gevormd. Ik las ten tijde van het schrijven van Moenk bijvoorbeeld Summertime, een roman over de biograaf van de schrijver Coetzee, geschreven door Coetzee (die er in dat boek bepaald niet gunstig van af komt). Wat een geweldig idee! En ik las Sweet tooth van McEwan, een spionageroman waarin ook vertellingen in vertellingen voorkomen. Heel subtiel vormgegeven. Kortom: het spel met vorm en betekenis zoals je dat bij hen aantreft, en waar je als lezer bij betrokken raakt, dat trekt mij aan.

Ik vond het een vermakelijke uitdaging om het boek te begrijpen, maar denk dat het pas echt tot zijn recht komt als je het leest als filosofisch werk in plaats van een roman. Hoe denkt u daarover?

Dank voor het geweldige compliment. Dat een lezer ‘Moenk’ in de eerste plaats als filosofisch werk heeft gelezen vind ik een hele mooie gedachte, en ik zal hem die niet graag afnemen. Maar voor mij als schrijver is Moenk toch echt een roman. Het verhaal dat zich afspeelt tussen de ik-figuur en Moenk, de verwikkelingen in het boek, de opbouw van spanning, de ontknoping, de snelheid van vertellen, de dialogen – dat is allemaal ‘roman’. Dat waren mijn worstelingen. Dat er filosofische gedachten meeklinken, de ene keer wat nadrukkelijker dan de andere keer, is geen ‘bijvangst’ – het is het net dat de roman omspant en mogelijk maakt, maar het is niet de roman.

Wat nu? Kunnen we meer romans verwachten?

Ja! Ik ben laat begonnen met het schrijven van romans (ik ben 54), maar ik heb mijn hele leven al rondgelopen met ideeën voor een roman en in mijn andere werk zitten soms ook elementen van fictie (zoals in mijn boek over de mateloze arts Evart van Dieren), maar voor een heel boek vond ik nooit de tijd. Tot ik twee jaar geleden op sabbatical was en drie maanden ongestoord kon schrijven. Sindsdien ben ik verslaafd aan ‘de roman’. Ik werk nu aan een boek over de clash tussen de generatie die in de jaren zestig en zeventig is opgegroeid, en de no-nonsense generatie van daarna. Opnieuw ligt er een ‘idee’ ten grondslag aan het boek, maar is een ander idee, en dus zal ook de vorm anders zijn.

Lees hier mijn recensie en 6 filosofische passages uit De wet van Moenk.

Volg mij op: Bloglovin | Facebook | TwitterHebban | Goodreads | Instagram

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *